dinsdag 5 april 2022

Bewijs het maar

In mijn vorige blogberichten gaf ik aan, dat ik in de dagrapporten van de Amsterdamse politie de 'overbuurjongen' van Anne Frank was tegengekomen. Hij was gearresteerd op 3 augustus 1944: op de avond direct voorafgaand aan de ochtend van de arrestatie van de onderduikers in het Achterhuis. 

Het verwonderde mij zeer dat deze jongen in het onderzoek van het coldcase-team, dat prat gaat op de forensische insteek, in het geheel niet voorkomt. Het coldcase-team lijkt de rapporten niet diepgaand te hebben bestudeerd: zo is in het boek sprake van een anoniem gehouden NSB-lid, dat eveneens op de vooravond van de arrestatie door de politie werd aangehouden maar heel snel weer werd heengezonden. Er wordt in het boek gegist naar de reden achter de snelle heenzending, maar deze blijkt glashelder in het betreffende dagrapport beschreven te staan.

Inmiddels heb ik mijn bevindingen voorgelegd aan enkele deskundigen in het veld. 'Er is geen bewijs,' is de reactie en dat is natuurlijk zo. Er is geen bewijs. Nee. Maar dat het een interessant scenario is, is wel met argumenten te onderbouwen. Ik som ze hieronder op. Waarbij ik onmiddellijk meld dat ik ook andere kandidaten op het oog heb. Ans van Dijk en de zus van Bep Voskuijl (eerder langs indirecte weg) scoren in mijn ogen hoog.

1. De datum van arrestatie: 3 augustus 1944.

2. Het adres van de jongen: pal tegenover het Achterhuis. Direct aan de andere kant van het water van de Prinsengracht.

3. De nationaalsocialistische kleur van het gezin van de jongen. Zonder te willen stellen dat elke nationaalsocialist er met plezier Joden bijlapte (dat is ook niet zo, daar zijn, weliswaar niet al teveel, tegenvoorbeelden van), is de stelling dat nationaalsocialisten in het algemeen niet door Jodenliefde werden overspoeld geen al te onhoudbare. De jongen werd door zijn vader van het politiebureau opgehaald. Er waren daarmee dus twee 'praatkansen'.

4. In haar dagboek meldt Anne Frank dat zij af en toe via de voorkant van het kantoor een blik naar buiten werpt. Met haar zus Margot spreekt zij op gegeven moment over de armoedige kinderen die zij buiten ziet spelen. Het is niet uit te sluiten dat de kinderen, of andere voorbijgangers, ook een flits van haar gezien hebben. De andere bewoners van het Achterhuis hielden geen dagboek bij (Margot wel, maar dat is nooit teruggevonden). Het is mogelijk dat ook zij soms via de voorkant van het pand naar buiten keken. En dus ook zelf gezien zijn.

5. Er werd een telefoontje gepleegd naar de Sicherheitsdienst, dat meteen betrouwbaar werd geacht. Dat maakt dat Ans van Dijk bijvoorbeeld een heel reële kandidaat voor het verraad is, maar natuurlijk ook iemand uit het politieapparaat. 

6. Er heerste honger, in 1944. Ook de overbuurjongen werd gearresteerd op verdenking van het stelen van voedsel. Nu zijn er veel dagboeken uit de oorlog bekend geworden. Voedsel is daarin een enorm groot onderwerp. Sommige dagboeken gaan zelfs bijna alleen maar over eten - en natuurlijk het gebrek daaraan. Iedereen die anno nu weleens heeft rondgelopen met een te grote trek, weet dat hij of zij op dat moment alleen maar aan eten kan denken. Honger vraagt je volledige aandacht. Waar ik naartoe wil: er werden op regelmatige basis leveranties van aardappelen en dergelijke aan de voorkant van het kantoor gedaan. Dit onder het mom van 'lunch voor de medewerkers'. Maar was dat in de zomer van 1944, waarin iedereen dagelijks zijn best moest doen om een enigszins redelijk kostje bij elkaar te sprokkelen, nog geloofwaardig? Hoeveel ogen van buurtbewoners zijn naar deze leveranties toe getrokken? 

7. Onderzoek van de Anne Frank Stichting, verricht door Gertjan Broek, brengt een scenario waarin de onderduikers slechts bij toeval zijn ontdekt en waarin de politie kwam om de voorraden te inspecteren. In ieder geval besteedde de politie hier veel aandacht aan. Dat is opmerkelijk. Het is, vanuit deze observatie geredeneerd, denkbaar dat de politie via de voedselleveranties op het spoor van de onderduikers zijn gezet.

8. De notitie die de politie maakt na de inbraak in het pand, in april 1944, is eveneens opmerkelijk. Hierin staat dat 'de woonplaats van de eigenaar' niet kon worden vastgesteld. Wie werd daarmee bedoeld? De nieuwe eigenaar, of misschien de oude? Maar waarom zou de woonplaats van de nieuwe eigenaar niet kunnen worden vastgesteld? Normaalgesproken noteerde de politie in de dagrapporten, indien van toepassing, dat Joden naar Duitsland waren getransporteerd. Of in een enkel geval: naar Polen. Maar Otto Frank had niet op de transportlijsten gestaan, om de eenvoudige reden dat hij niet op transport was gesteld. Dat hij 'ergens anders' was, was daarmee bekend. 

Al met al. Je hebt verraad en verraad. Verraad met voorbedachte rade ("ik weet waar er Joden zitten, hoeveel en op welke beloning ik nu recht heb") en spontaan verraad, dat meer neigt naar een verspreking of een halve onthulling. Een halve onthulling, zoals deze door de overbuurjongen of diens vader gedaan zou kunnen zijn op de vooravond van de arrestatie van de onderduikers - waarbij de eigen poging om via diefstal aan voedsel te komen misschien het opzetje vormde - was al genoeg geweest om de geoliede verraadmachine op gang te brengen.


  

 

  

   


 

maandag 21 februari 2022

Nieuw, mogelijk scenario: de overbuurjongen van Anne Frank (vervolg)

In de vorige blogberichten komt het woord ‘verbijstering’ nogal eens voor. Deze ben ik inmiddels te boven. Aan mijn, aanvankelijk ietwat gekscherende, notitie over de overbuurjongen van Anne Frank valt nog het een en ander toe te voegen. Vandaar deze follow-up. Mocht een lezer zich afvragen: waarom zet ze deze zaken op een blog? Kan het niet naar een krant of tijdschrift, of zo? Ja, dat kan, maar tot nu toe kom ik er niet erg door. Ik heb geen naam. Ben socioloog. Geen historicus. Heb de 's' nooit van mijn titel laten schieten en heb de 'p' en de 'r' nooit tot één woord samen gepakt. Ik zet mijn bevindingen dus maar op mijn blog. Ben ik mijn 'e' plus 'i' kwijt, heb ik toch de 'c' van mijn rechten, ja en verder, tja, wat kan ik nog zeggen, je leeft maar één keer. Dat zeg ik dan om deze uitweiding af te ronden. Ik kan mezelf kortom niet verkopen, wel gratis weggeven. En ook dat, beste lezer/es/X/*, is een talent. Bereikbaar ben ik via de '@' op mijn profiel en verder laat ik mijn idealen maar varen.

“Ik heb geen naam,” schrijf ik, maar die heb ik natuurlijk wel. Ik deel mijn naam (en Zeeuwse afkomst) met die van verzetsstrijder Ko Stevense. Hij werd een paar dagen voordat de oorlog afliep voor zijn woning doodgeschoten. Die woning lag aan de Bloemgracht. Reden waarom ik deze jaren terug al eens aan een nadere inspectie had onderworpen. Anne Frank had ik daarbij ook wel in het achterhoofd, maar het zoeken naar de verrader had ik tegen die tijd eigenlijk opgegeven. 

De Bloemgracht was in de oorlog een woelige boel. Er woonden nogal wat mensen met nationaalsocialistische voorkeuren. Er bevond zich ook een NSB-Kringhuis aan de gracht. Dat gebouw lag niet heel dichtbij het Achterhuis, maar de aanwezigheid van het pand maakte wel dat te er flink wat nationaalsocialistisch verkeer met regelmaat door de buurt trok.

Nu wil het geval, deze informatie stond nog niet in het eerdere blogbericht, dat ook de overbuurjongen van Anne Frank uit een nationaalsocialistisch nest kwam. Zo verloofde zijn zus, staat in een advertentie in het Nationaal Dagblad uit 1943 te lezen, zich met een Sturmmann van de NSKK (NationalSozialistisches KraftfahrKorps). Dat is informatie die via Delpher te vinden is. Uit de kaart van de vader, in het Stadsarchief van Amsterdam, wordt duidelijk dat hij en zijn aanstaande schoonzoon op dezelfde politieke lijn zaten. Dit alles maakt dat de onthulling van de informatie door de vader en/of de zoon op – letterlijk - de vooravond van de ontmaskering van de onderduikers in het Achterhuis simpelweg niet ondenkbaar is.

Het coldcase-team heeft, zo staat in het boek beschreven (p. 156) de Bloemgracht niet meegenomen in het buurtonderzoek. Wel de Leliegracht en het vlakbij het Achterhuis in de buurt liggende deel van de Prinsengracht en de Keizersgracht. Het heeft, samengevat, de panden bestudeerd van waaruit (mogelijk) sprake was van zicht op het Achterhuis.

Maar Anne Frank beschrijft in haar dagboek hoe zij soms via de ramen van het kantoor een blik op straat, met de daar lopende mensen, wierp. Zijzelf kan gezien zijn, of een andere onderduiker, die er geen dagboek op nahield. Het kan opgevallen zijn dat er toch wel erg veel boodschappen bij het bedrijf werden afgeleverd. Enzovoort, enzovoort, enzovoort: in 1944 waren veel mensen op de hoogte van het bestaan van de onderduikers, of hadden daar toch tenminste een sterk vermoeden van. Daar vertel ik helemaal niks nieuws mee.

En stel. De jongen of de vader hebben zich op het politiebureau inderdaad iets laten ontvallen in de trant van: "Pak eerst die Joden van de overkant maar eens aan." Of; "Hoezo is het nou zo'n ramp dat ik een paar wortels wilde stelen, terwijl aan de overkant van de gracht een stel Joden ons eten loopt op te souperen!" Zelfs is het, gezien de kringen waarin de vader bivakkeerde, mogelijk dat hij ervoor voelde een vergoeding te incasseren. Joden verraden, dat leverde geld op. Geld om wortels mee te kopen, bijvoorbeeld.

Ik noem maar wat mogelijkheden. Mogelijkheden die niet uit te sluiten zijn.

En, ja. Misschien reageerden de agenten aanvankelijk niet eens heel geïnteresseerd (of wel, natuurlijk). Maar ging er wellicht eentje toch nog eens in de boeken kijken. Was er niet wat aan de hand met dat pand?

Inderdaad. Er was wat aan de hand met het pand. Er was geknoei geweest met distributiebonnen, door enige vertegenwoordigers van het bedrijf. En er was de inbraak geweest. “De woonplaats van de eigenaar kon niet vastgesteld worden,” noteerde de politie op de desbetreffende avond van 9 april 1944. Tijdens de oorlog had Otto Frank het bedrijf uit handen moeten geven. De zin zet een mens wel aan het denken.  

Het is één van de mogelijke scenario’s. Eén van de vele, mogelijke scenario’s, die eigenlijk onder het kopje ‘onbekende omstander’ vallen. 

Al met al. Toen ik jaren geleden hoorde van de poging van het coldcase-team om de verrader van Anne Frank op te sporen, was ik redelijk enthousiast. Enthousiaster zelfs dan menigeen. Er zijn zo ontzettend veel gegevens te vinden, in kranten, in de politiearchieven. Wie die aan elkaar koppelt, kan een heel nauwgezet beeld van de stad ontwikkelen en daar menige geschiedenis (zeker niet alleen die van Anne Frank) mee verhelderen.

Maar mijn conclusie over het onderzoek luidt inmiddels: AI zonder tussenkomst van HI is niets.

Ik moet, ga, het hierbij laten. Ik zal me moeten beheersen, want terwijl ik het boek, met het oog op dit blog, nog eens doornam, werd ik voortdurend door twijfel overvallen. En soms ook door een heel zeker weten: dit klopt in ieder geval niét. Maar ik kan, zal, niet bezig blijven - en dat is in opdracht van mijn eigen HI.

vrijdag 18 februari 2022

Dat kan toch niet waar zijn?

De blogberichten volgen elkaar op, aanvulling volgt op aanvulling. En onder mijn berichten ligt nog steeds verbijstering. Verbijstering die steeds opnieuw gevoed wordt. Verbijstering, omdat het hier gaat om een bepaald soort vertrouwen dat je wilt hebben. Als burger. In mensen die zichzelf als experts aanduiden. In een uitgeverij die een boek zo groots uitrolt. Media, die het boek van tevoren, weliswaar niet lang van tevoren en zonder raadpleging van derden, mogen lezen.

Ik plaats deze aanvulling, omdat de mutatie omtrent de NSB-vrouw, waar ik eerder zo naarstig naar had gezocht maar die ik niet had gevonden, mij door onderzoeker Gertjan Broek van de Anne Frank Stichting, naar wie ik enkele vragen en ideeën had gestuurd, inmiddels is toegezonden. Ik doel hier op de NSB-vrouw die naar huis gestuurd werd om redenen waarnaar de coldcase-onderzoekers hadden zitten gissen. Ze had waarschijnlijk geen kwaad in de zin gehad, was de redenatie geweest. Of anders, ja, de oorlog was al bijna klaar, dus wie had er in de zomer van 1944 nog zin om zich met de kant van de bezetter te verbinden?

Ik zag de mutatie en wist: deze heb ik al gezien. Vrouw, aangehouden op 3 augustus, om 22.10 uur. Maar .... ik had bedacht dat deze vrouw niet bedoeld kon zijn. Want: de reden waarom de vrouw werd heengezonden staat gewoon in de mutatie vermeld. "Daar zij kleine kinderen thuis heeft wordt zij na betaling van de boete heengezonden." In dat geval maakte de politie inderdaad een uitzondering op de regel. 

De reden van heenzending stond dus gewoon beschreven. Daar hoefden de onderzoekers helemaal niet naar te gissen. 

Het roept, opnieuw, de vraag op, als het al niet een antwoord op die vraag is, of de onderzoekers de dagrapporten van de Amsterdamse politie wel structureel doorgenomen hebben. 

Dan zouden we te maken hebben met een coldcase-team, onder leiding van een voormalig FBI-man, dat "uitdrukkelijk niet voor een historisch wetenschappelijke benadering [koos], maar een opsporingsbenadering" (ik citeer hier de woorden van de leiders van het team, op hun website, geschreven op 3 februari 2022) en de dagrapporten van de politie niet structureel in het onderzoek meeneemt?

Een aantal jaar geleden had ik geen sjoege van de dagrapporten van de Amsterdamse politie. Had ik de onderzoekers spoorslags geloofd als ze gezegd hadden dat de spertijd om 20 uur begon en misschien ook wel dat de politie na overtreding van de spertijd een vrouw naar huis stuurde omdat er geen gevaar van te duchten viel (hoewel, het was oorlog, het is wel een vreemde redenering). 

Erger. Ik had meer moeite gehad met het verzet tegen de uitkomsten van het onderzoek. Waarom zo fel, had ik wellicht gedacht. Waarschijnlijk had ik het boek niet meteen gekocht, a la, kost geld, is kennelijk niet zo goed en nou ja, de onderzoekers baseren hun conclusies toch wel érgens op? Het zijn toch experts? 

Maar als je het boek goed leest, zie je dat alleen een anoniem briefje, dat al bekend was, de concrete basis vormt onder de uiteindelijke uitkomst van het onderzoek. De rest is aan elkaar gepraat. Van horen zeggen. Waarbij sommige bronnen lijken te zijn gedeleted (de belangrijkste daarvan is de bron die naar de onderduik van Van den Bergh verwijst).

Ik moet eerlijk bekennen: ik heb de uitgeverij er al een brief over gestuurd. Ik heb er nooit antwoord op gehad. Dat had ik ook niet verwacht. A la, komt er ook nog eens een socioloog aankakken met haar visie, we hebben het druk genoeg. 

Dat laatste is vast heel erg waar en het eerste: ik heb veel aan zelfstudie gedaan. De Jodenvervolging in Amsterdam gedurende met name 1940-1943 ken ik daardoor bijna uit mijn hoofd. Sociologen weten uit zichzelf niet veel (sorry, vak-/lotgenoten, maar het is waar, en zelfs dat weten we niet allemaal). 

Officieel weet ik er echter niets van en je mag er toch op vertrouwen dat mensen die voortdurend naar zichzelf verwijzen als zijnde experts en verkondigen dat zij met grootse methoden het beschikbare archiefmateriaal aanpakken dit wel doen.  

Ik denk dat het tijd wordt om de uitgeverij opnieuw aan te schrijven. Of misschien moet ik direct de onderzoekers benaderen.

Dit keer stuur ik een anonieme brief. 

Die wordt tenminste serieus genomen. 



  













donderdag 3 februari 2022

De overbuurjongen van Anne Frank

Een aanvulling op mijn vorige blogbericht. Hierin was o.a. sprake van een vrouwelijk NSB-lid, dat op de vooravond van de ontdekking van de onderduikers in het Achterhuis was opgepakt vanwege een overtreding van de spertijd.

Ik heb mij intussen wild gezocht in de verslagen van alle wijkbureaus van de politie in Amsterdam. Ik heb haar niet gevonden. Dat betekent helemaal niets: veel oorspronkelijke verslagen uit 1944 zijn teloorgegaan. De jaren ervoor zijn over het algemeen een stuk beter bewaard gebleven. Daarnaast is de orde in 1944 vaak zoek: je zoekt je een ongeluk naar bepaalde data (als ik een beetje chagrijnig overkom, dan spijt me dat: het komt door de opwindende aard van de zoekklus). En omdat de naam van de vrouw niet bekend is gemaakt, kan ik de machine van het Stadsarchief niet voor mij laten zoeken.

Op zich is dit niet zo belangrijk, ze komt immers voor op de door het onderzoeksteam aangehaalde bron (een door mij, online, overigens evenmin gevonden incidentenverslag van 8 maart 1944, een datering die ik niet geheel begrijp, maar ja, dat is dan maar zo, of zo). Ze zal hoe dan ook niet verzonnen zijn. Mijn kritiek gaat uit naar wat er met de vondst gedaan is. Dat wil zeggen: weinig en op onlogische gronden. 

Maar. Tijdens mijn speurtocht kwam ik wél de directe overbuurjongen van Anne Frank tegen. Er zit niet meer dan een gracht tussen zijn huis en het Achterhuis. De panden liggen werkelijk pal tegenover elkaar. Volgens Google Maps moet je, als je de gracht niet over wilt zwemmen, 230 meter, in de vorm van een U, fietsen om van het ene huis naar het andere te komen.

In de stapel literatuur die ik over het verraad van Anne Frank gelezen heb, komt de naam van de overbuurjongen niet voor.

De overbuurjongen werd, net als de NSB-vrouw, op de avond voor de oppakactie in het Achterhuis, dus op 3 augustus 1944, gearresteerd. Dit in verband met diefstal. Later op de avond werd hij door de H.I.R. heengezonden en door zijn vader opgehaald. 

En, wat ik maar zeggen wil. Misschien hebben de jongen of zijn vader wel iets geroepen in de trant van: "Wat nou mij/die arme jongen arresteren voor diefstal! Zorg eerst maar eens dat je je zaakjes op orde hebt en die Joden van de overkant oppakt!" 

Ik geef toe, dit scenario is simpel. Net als het in het boek van Sullivan beschreven scenario rondom het vrouwelijk NSB-lid.

Beide scenario's zijn echter niet uit te sluiten. Dat is de andere overeenkomst. Ze scoren eenvoudigweg punten op het door het coldcase-team gehanteerde schema: gelegenheid, kennis, motief (in een goed blaadje willen komen bij het gezag, in beide gevallen, dan wel een, eerder ongemotiveerd, de mond voorbijpraten). 

Aanvulling op 13 februari 2022: de vraag is of het coldcase-team de mutatie over de overbuurjongen heeft gezien. Er wordt geen enkele melding van gemaakt in het boek. Scenario 1: nee. Dat zou ronduit knullig zijn. Scenario 2: ja. In dat geval snapt het team niets van de spertijd en denkt het dat een vader om 21 uur prima zijn zoon van het politiebureau kan ophalen, terwijl de spertijd om 20 uur ingaat. Maar...: de spertijd ging op 3 augustus 1944 helemaal niet om 20 uur in, zoals het boek vermeldt. Dat zie je onmiddellijk als je de politierapporten van begin augustus bekijkt. Er wordt helemaal niemand tussen 20 en 22 uur aangehouden. Dat is erg gek, met een spertijd die start om 20 uur. En met 'erg gek' bedoel ik, voor de goede orde: bestaat niet. Ik heb er even goed naar moeten zoeken, om mijn vermoeden officieel bevestigd te zien, maar de spertijd is volgens mijn informatie, die ik uiteindelijk via Delpher, o.a. gehaald heb uit Keesings Historisch Archief, om 22 uur ingegaan, op 3 augustus 1944. Waarmee scenario 3 ontstaat: ja, wel gezien, maar verder overal blind voor geweest. Dat is vrij moeilijk voor te stellen. Waardoor scenario 1 weer in beeld komt.

Niet te (ver)filmen.


Naschrift: voor wie dit leest en de info wil checken, mail me even. Ik ben niet zo van het droppen van namen en in dit geval heeft dat bovendien weinig zin, omdat het Stadsarchief geen verwijzingen openzet naar personen die minder dan 100 jaar geleden geboren zijn en die in theorie nog in leven zouden kunnen zijn. Je kunt natuurlijk ook zelf zoeken :) 





  

zondag 23 januari 2022

"Het zijn wel experts": het nieuwe boek over het verraad van Anne Frank

Dit is een reactie op het nieuwste boek over het verraad van Anne Frank. Ik schrijf deze in verbijstering. Trigger was een opmerking op Twitter, die een criticus van de nieuwste bevindingen toevoegde dat hij zeker niet kon verduren dat hij zelf dit spoor had gemist? Het was niet de eerste opmerking van die strekking, die ik online tegenkwam.


Sterker, ik heb het boek gelezen en mijzelf ook meermalen betrapt op de gedachte "het zijn wel experts". Het is een verlammende gedachte. Een pauzerende, op zijn minst.


Maar laat ik nou zelf, zij het niet op officiële titel, jaren in allerlei primaire bronnen, waaronder de dagrapporten van de Amsterdamse politie, onderzoek hebben gedaan. En in de jaren daarvoor lang, en beetje stiekem ook (want, hoe belangrijk was het?) hebben gebroed op de vraag wie Anne Frank verraden had.


Er is na lezing van het nieuwste boek één verdachte in mijn hiërarchie gestegen. De verdachte "onbekende omstander". De auteurs noemen haar niet bij naam en dat is natuurlijk heel netjes. Op deze verdachte wil ik hier inzoomen.


Dat is de vrouw die op de avond voor de arrestatie, op 3 augustus dus, wordt opgepakt omdat zij buiten is, terwijl de spertijd begonnen is. Een vrouw van een NSB'er, zelf ook lid van de NSB, goed bekend met een NSB-pand vlakbij het Achterhuis. 


Laat het nou zo zijn, dat mensen die om die reden werden opgepakt, de nacht in het bureau moesten doorbrengen. Dat was de regel. Maar niet deze vrouw: zij mag naar huis. (Ik beroep mij hier overigens op de feiten uit het boek. Ik heb de mutatie zelf nog niet gevonden (wel gezocht, nog niet grondig genoeg), maar dat is op dit punt niet zo belangrijk. Belangrijk is de redenatie van de onderzoekers. Bovendien zal de research wel kloppen. Wat me verbijstert is nu juist wat er van de vondsten gemaakt wordt.)


Het is zeer opmerkelijk dat zij naar huis mocht, stelt het onderzoeksteam aanvankelijk. Waarom mocht ze dat? Had ze misschien informatie vrij gegeven? 


Dat denkt het team zelf in ieder geval en dat zou goed kunnen. Maar al snel volgt: "Het was een interessante hypothese, maar ze hield geen stand." 


Want. Omdat het 's avonds nog laat licht was, zo in de zomer, zal het niet "heel verdacht zijn geweest" dat ze nog buiten was. Dus daarom kwam ze er waarschijnlijk makkelijk vanaf, mocht ze alweer snel naar huis.


Nee. Het was oorlog. Regels waren regels. Er werd geen rekening gehouden met dit soort overwegingen. Overtreding van de spertijd betekende simpelweg: een nacht doorbrengen bij de politie. Je mocht immers niet over straat. (Laat ik zeggen dat ik zelf de kans dat zij zomaar weg mocht schat op dertien tot vijftien procent.)


Dan voegt het team er ook nog deze gedachte aan toe: de politie was de vrouw waarschijnlijk liever kwijt dan rijk. Had geen zin om geassocieerd te worden met mensen die aan de kant van de toekomstige verliezers van de oorlog stonden, "iedereen wist dat de Duitsers in moeilijkheden verkeerden." Los van dat een redenatie als "iedereen wist" nooit hard te maken is: Dolle Dinsdag was nog niet geweest. En hoewel je in de politierapporten af en toe wel een agent tegenkomt die zich tot het uiterste rekt om een vorm van verzet te plegen, waren de agenten over het algemeen bezig met het uitvoeren van regels. En die regels waren bepaald door de bezetter. Bovendien: je zou eerder denken dat het naar huis sturen van een lid van de NSB verdacht zou ogen, de redenatie van het onderzoeksteam volgend.


Iemand die bij de politie werkte, wist natuurlijk wel, welke hoge functionaris hij moest spreken om onderduikers aan door te geven. Dat kan geen probleem zijn geweest. Dit is een belangrijk element in de zoektocht naar de verrader: er werd op hoog niveau een telefoontje gepleegd, dat meteen geloofwaardig werd geacht.


Vandaar dat, al met al, deze verdachte hoger is gestegen in mijn hiërarchie. Ans van Dijk blijft wat mij betreft ook een goede mogelijkheid. Of nog een andere onbekende verrader. Buurtbewoner. Passant. Die de weg wist bij de S.D. Daar waren er zat van. Op een steenworp afstand van het Achterhuis woonde een fervent NSB'er die nog in geen enkel onderzoek, voor zover ik weet, naar voren is gehaald. Misschien had hij iets gezien. Een gordijn dat bewoog, een gezicht dat even een glimp van de buitenwereld wilde opvangen. De onderduikers waren immers niet altijd voorzichtig genoeg.


Dan is er ook nog de theorie van het Anne Frank Stichting zelf: er was geen verraad, er was gedoe geweest met distributiebonnen, door vertegenwoordigers van het bedrijf van Otto Frank, en dat zette de politie op het spoor. Misschien stond het gebouw onder verscherpte observatie (en werden de onderduikers, in een combinatie van verschillende hypothesen, vervolgens ontdekt en aangegeven).


Ook sluit ik me, ik moet dit bericht ergens eindigen en er zijn zoveel punten die ik zou kunnen aanstippen, maar dat gebeurt inmiddels al wel in de media, aan bij door dezelfde stichting geformuleerde vraag: áls de lijsten van onderduikadressen al bestonden, waarom zou Prinsengracht 263 daarop hebben gestaan? Wat voor connectie bestond er dan met de Joodse Raad? De Joodse Raad, die mensen op het hart drukte vooral niet onder te duiken?


We weten niet wat er gebeurd is. Er zijn teveel mogelijkheden. 


Niet weten is ook weten. Experts weten dat.


dinsdag 16 november 2021

Van oude wijn en nieuwe cola light

Ik voer dit blog. Niet al te fanatiek meer (de mogelijkheid om te reageren is daarom uitgeschakeld, reacties kunnen vanzelfsprekend wél naar het adres bij mijn profiel). Maar het gaat over de oorlog. En dan vooral over de vervolging van (Amsterdamse) Joden. Ik kom er daarom niet helemaal onderuit om een tekst te wijden aan datgene waaraan ik liever helemaal geen woorden zou willen vuilmaken.

Dit betreft de vergelijking die wordt gemaakt tussen de vervolging van Joden destijds en de maatregelen die nu tegen ongevaccineerden worden genomen.

Eerder schreef ik op dit blog een stukje over een Joodse Amsterdammer, die, recht tegen de (op dat moment nog maar pas ingevoerde) Verordening 138 in een café op het Leidseplein bezocht. Een ingekorte versie:  

Op en rond het Leidseplein wemelde het, ook in oorlogstijd, van de café´s. Tot half september 1941 kon iedereen daar terecht: Joden zowel als niet-Joden. Maar vanaf 15 september 1941 waren, na invoering van Verordening 138, Joden er niet meer welkom. Bezoek aan café’s, schouwburgen, parken, bibliotheken (o.a.): het werd voor Joden allemaal verboden.

Op 19 september 1941 bevonden zich onder de bezoekers van één van de café´s op het Leidseplein een sergeant (Feldwebel) van de Wehrmacht en een beeldhouwer. Om 20.45 uur liepen zij samen het politiebureau in. Nadat de Feldwebel daar zijn relaas gedaan had, bleef alleen de beeldhouwer achter.   

De beeldhouwer verklaarde op het bureau dat hij ´inderdaad jood´ was en de verordening niet kende. De politie leek daar niet echt een antwoord op te hebben. Om 22.35 uur werd, nadat proces-verbaal tegen hem was opgemaakt, de beeldhouwer ´niets ten zijnen laste hebbende´ heengezonden.

Ik zie vier verschillen tussen de situatie van de beeldhouwer destijds en de ongevaccineerde burger van nu.

De beeldhouwer mocht sowieso het café niet in. Ook niet als hij eerst even de, toen ook al bestaande, GG en GD bezocht. (2G is tot nog toe, in Nederland, hypothetisch.)

2) De beeldhouwer werd weggehaald uit het café omdat men vermenging met het niet-Joodse deel van de bevolking wilde voorkomen. Verordening 138 maakte deel uit van een groter plan: verwijderen van Joden uit de hele samenleving. Ongevaccineerden zijn (alvast uitgaande van een 2G) niet welkom omdat men wil voorkomen dat zij ziek worden, dan wel mensen om hen heen besmetten.

3) Op het overtreden van Verordening 138 stond een strenge straf. De beeldhouwer had nog de mazzel dat de politie zo vroeg na de invoering ervan niet goed raad met hem wist, maar iets later in de oorlog werden de zeldzame Joden (oftewel personen ‘van joodsen bloede’, dit is een citaat uit een politierapport) die betrapt werden op het vertoeven op voor hen verboden plaatsen probleemloos naar de Sicherheitsdienst doorgestuurd.

4) De Verordening was ingevoerd door de Duitse bezetter. Over de regels voor ongevaccineerden wordt op dit moment (eindeloos?) gedebatteerd door een democratische, Nederlandse regering.

De maatregelen van nu en toen kennen ook twee overeenkomsten:

1) Ze waren, en zijn, van tijdelijke aard.

2) Ze dienen, dan wel dienden, om een probleem op te lossen. In het ene geval de aanwezigheid van een door de Duitse bezetter ongewenst geachte bevolkingsgroep. In het andere geval de aanwezigheid van een virus.

woensdag 25 augustus 2021

Belangrijke informatie in de politiearchieven van Amsterdam

Er worden al vrij lang geen aanvullingen meer op dit blog geplaatst. De reden is dat ik de tijd niet meer kon vinden om met archiefonderzoek bezig te zijn. Dit hele onderzoek naar Amsterdam in WO II, en dan met name Joods Amsterdam in WO II, verricht ik op mijn eigen initiatief en in mijn eigen tijd.   

Terugblikkend. Uit de rapporten is allerlei informatie te halen over het dagelijks leven in met name de eerste drie jaren van de oorlog. Wat betreft het leven van Joodse Amsterdammers onthullen de rapporten al helemaal veel. Ze laten zien hoe Joden in de taal van de politie veranderden van 'Duitsers',  'emigranten' of 'Israëliers',  in 'Joden', 'Joodse families', 'joden' en 'jodenfamilies.' De rapportages maken duidelijk hoe de maatregelen van de bezetter de samenleving steeds verder in tweeën splitste. Hoe een groep mensen, naarmate de tijd vorderde, steeds verder buitengesloten werd. En ook hoe moeilijk sommige politieagenten het met hun nieuwe taken hadden. Want hoewel het politiekorps in zijn geheel meeboog met de nieuwe wind en een aantal agenten dit met grote gretigheid deed, waren er ook individuele medewerkers die zichtbaar worstelden met hun positie. Ook is te zien hoe burgers bij vlagen in verzet kwamen en, bijvoorbeeld, in grote getale hun persoonsbewijzen of distributiekaarten als gestolen of verloren opgaven. En vaak bij een paar specifieke agenten van dienst.

Ook over de dood van Joodse Amsterdammers is in de rapporten veel te ontdekken. Sterfdata van Joden kunnen aan de hand van de rapporten worden gepreciseerd. Doodsoorzaken kunnen worden opgehelderd. En, het allerbelangrijkste wat mij betreft: er kunnen, ruim tachtig jaar na het begin van de oorlog, nog altijd onbekende Joodse slachtoffers uit worden gehaald. Een klein aantal namen is inmiddels door mij doorgegeven aan het Namenproject in Westerbork en zij zijn, na controle, inderdaad aan de lijst toegevoegd. Op het digitale Joodse Monument is direct door mij een aantal van bovenstaande gegevens aangevuld.

Ik heb vele dingen gelezen die ik verder verzwijgen zal. Denk aan zelfmoorden, gepleegd op voor ons allen simpelweg niet te bedenken manieren. En ik heb vele dingen gelezen die niet verzwegen mogen worden. Denk aan zelfmoorden, gepleegd om voor ons allen simpelweg te bedenken redenen.

En daar tussendoor lopen dan mensen bij de politie binnen omdat ze dubbeltjes van een kapotte openbare telefoon willen afgeven. Boos zijn over een in stukken gevallen taart, bij een brand beschadigd geraakte kleding. Of van wie de fiets, 'gesloten' of 'ongesloten', voor de zoveelste keer gestolen is. 

De komende tijd zal ik bundelen wat ik inmiddels heb gevonden. Lang niet alle vondsten die ik in de politiearchieven heb gedaan staan op dit blog. Verder heb ik ook het Joods Weekblad, eerder, uitvoerig bekeken (met name de advertenties in het blad) en datzelfde geldt voor een aantal algemene dagbladen en wat nationaalsocialistisch werk. Opnieuw weer met name advertenties (zo wist ik daardoor bijvoorbeeld 'in 1941' al precies waar de fanatieke SS-man woonde waarvoor jaren later in een verzetskrant werd gewaarschuwd). De inmiddels door mij gevonden namen van onbekende slachtoffers zal ik checken en dubbelchecken. Want voordat ik deze doorgeef aan het Namenproject te Westerbork, moeten zij uitgebreid worden nagekeken (het Namenproject controleert ze vervolgens, gebruik makend van eigen bronnen, nog eens). Het Joods Monument is overigens voor mij bij al het checken, of natuurlijk het vinden van iets minder dringende informatie, een bijzonder belangrijk instrument.

Wie contact met mij wil over dit onderzoek is daartoe van harte uitgenodigd. Het zal de lezer wellicht niet ontgaan dat ik beter ben in het verzamelen van het materiaal voor verhalen dan deze daadwerkelijk onder de aandacht brengen (het schrijven zelf lukt gelukkig ook nog wel). Meedenkers zijn zeker welkom. De reacties onder de berichten zijn uitgeschakeld, maar via het mailadres bij mijn profiel ben ik direct te bereiken. Vanzelfsprekend ook voor vragen en opmerkingen die de inhoud van het geschrevene betreffen.


PS Ik ben nu opnieuw een paar dagen bezig geweest met de oorlog. Opnieuw omdat ik vind dat het echt belangrijk is. Maar het lukt me simpelweg niet meer om mijzelf alleen daarmee te motiveren. Daarvoor is de oorlogsdonkerte te diep, of de oorlogsdiepte te donker, dat kan ook. Helaas. Maar. Er staat dus belangrijke informatie in de archieven.

... En nu het weer een paar weken later is, het Namenmonument is geopend, ik Baudet op tv heb horen praten over een holocaust tussen aanhalingstekens (en dus zonder hoofdletter, maar daar hoorde ik niemand over), ben ik toch weer gaan speuren naar namen van onbekende slachtoffers in de archieven van de Amsterdamse politie. Niet alles is hierop, zo is mij dus gebleken, gescreend. Dus die zijn er. Ook doodsoorzaken (lees zelfmoorden of een enkel verkeersongeluk) preciseer ik en sterfdata eventueel ook. Ik heb zo'n 18000 pagina's onder ogen gehad en daarmee ben ik er nog bij lange na niet. 

Maar het is belangrijk. En dat is het.

Wat een geouwehoer. Nou, alla, maar dat was het dus ook wel weer. To be continued. Omdat het moet stoppen.


zondag 10 november 2019

Vluchten kon niet meer

Soms kom je ze tegen en wil je ze delen. Parels uit de nationale geschiedenis. Die te vinden zijn in de onmetelijke zee aan historische documenten die via het internet ons leven binnen te halen zijn.

Misschien zijn ze te mooi om te delen, kun je denken. Ja. Dat is een punt. Maar als je ze niet deelt blijven ze verscholen in hun oesterschelp, een oesterschelp die in oorlogstijd bestaat uit vele gestolen, roestige fietsen, verloren distributiekaarten, verraad van de ene burger door de andere, politieagenten die graag Joden naar het politiebureau brengen, om het even om wat voor reden. 

Aan onzichtbare parels heeft de wereld niets. Al groeien ze, beschermd door hun schelp, nog zo hard.

Deze specifieke parel ligt in Amsterdam Noord. Ik heb hem gevonden met een slinger aan de klok naar 18 februari 1943. 

Op die dag wordt een Joodse man door een andere burger aangewezen als verdachte van heling. De politie neemt hem mee naar het bureau. Eerst naar het ene (Houtmarkt). En dan naar het andere (Mosplein).

Nu worden Joden vanaf het midden 1942 voortdurend van het ene politiebureau naar het andere meegenomen. Dat is helemaal niet opmerkelijk. Alleen: de reis gaat normaal gesproken van het ene politiebureau naar het bureau Joodse Zaken. Of de Sicherheitsdienst.

Het ritje dat deze Joodse man maakt is dus op zich al opvallend. Maar wat aan het einde van de dag gebeurt is pas echt bijzonder: de man wordt naar huis gestuurd. Hij mag zich de volgende ochtend weer melden. Graag met het door hem geheelde voorwerp.

Een dergelijke houding van de politie is volstrekt normaal.

Als het om niet-Joden gaat. 

Maar Joden in de oorlog zijn vogelvrij. Volslagen vogelvrij. En geheel afhankelijk van de goodwill van de ander. Dat geldt voor de Joodse man en vrouw die zichzelf meldden bij de politie omdat ze bij intreding van hun spertijd (om 20 uur) kennelijk geen andere kant meer op wisten te gaan. Dat geldt voor de baby die door een vertwijfelde moeder in de armen van een niet-Joodse vrouw werd geduwd, in de hoop dat zij tenminste het leven van haar kind zou kunnen redden.  

De man, de vrouw en de baby werden niet geholpen. 

De Joodse man op 18 februari 1943 krijgt van een politieman tijd om zichzelf in veiligheid te brengen. Onder te duiken. 

Maar wie wil onderduiken moet weten wáár hij kan onderduiken. Moet zichzelf toestaan hulp van de ander te vragen. Wie wil onderduiken moet niet bang zijn voor represailles, omdat hij niet doet wat de politie zegt en daardoor een strafgeval wordt. Het nog zwaarder te verduren krijgt.

De volgende ochtend om tien uur meldt de man zich op het politiebureau. En wordt overgebracht naar de volgende locatie. Ditmaal is dat bureau Joodse Zaken.

De oorlog heeft hij niet overleefd.

Een leven kan afhangen van die ene helpende hand. Die wel of niet wordt uitgestoken. De baby, de man en de vrouw kunnen daar niet meer van getuigen. En ook de Joodse man, verdacht van heling, kan het ons niet navertellen. Eén helpende hand was voor hem niet genoeg.

Maar misschien heeft hij, zittend in de trein, of staand veel eerder, nog even gedacht aan die ene agent in Amsterdam Noord.

Wie weet heeft dat hem in zijn laatste dagen, zijn laatste uren, nog een moment lang getroost.

donderdag 20 december 2018

20 december 1941: Twee mannen, twee fietsen, een oorlog in een notendop


In de donkere dagen voor kerst 1941 worden op allerlei plekken in Amsterdam tientallen fietsen als gestolen opgegeven. Bijzonder is dat niet. Er worden in de oorlog heel veel fietsen gestolen. De eigenaren hebben bovendien de verplichting om hiervan aangifte te doen.

Op 20 december 1941 betreft het de rijwielen van twee mannen die later naam en faam zullen maken. Eén van hen vooral postuum.  

De man die de oorlog wél overleven zal heeft ook waar het zijn rijwiel aangaat geluk. Want niet alleen zijn fiets, maar ook het daaraan hangende muziekinstrument, een mandoline ´in faudraal´, wordt een dag na de aangifte teruggevonden. En er worden in die tijd heus wel fietsen teruggevonden: twee procent van de fietsen op het betreffende bureau, Pieter Aertzstraat (in december 1941).

Een dag later krijgt de eigenaar de fiets terug. ´Van misdrijf is niets gebleken,´ noteert de politie. Misschien is de fiets alleen maar even geleend. Verzet. Of toch gestolen, maar niet voor altijd. We kunnen het de eigenaar niet meer vragen. Er zijn hem later in de oorlog bovendien nog wel heftigere dingen overkomen. Sobibor overleven, bijvoorbeeld. Want de eigenaar heet Jules Schelvis. Ook naar Sobibor trouwens zou hij een muziekinstrument meenemen. Een gitaar.

De andere man, officieel een jongen nog, geeft aan het eind van de middag van 20 december 1941 zijn rijwiel op bureau Leidseplein als gestolen op. Hij zal Jules Schelvis dus niet tegen het lijf gelopen zijn. ´Sapekuiper´ heet hij, volgens de dienstdoende agent van politie (met als gevolg dat de mutatie, zoveel decennia later, niet met behulp van de zoekmachine van het Amsterdams Stadsarchief terug te vinden is).

Helaas voor hem wordt zijn fiets niet teruggevonden. Het ontbreken van een eigen fiets zal hem nog duur komen te staan, als hij ruim anderhalf jaar later een aanslag pleegt op een verrader, het dienstmeisje van de neergeschoten man begint te gillen, hij lopend niet snel genoeg weg kan komen, daarom maar een fiets pikt, vervolgens een glazenwasser treft die niet van fietsendieven houdt en een ladder over de weg gooit, vluchten daardoor niet meer kan.

Sape Kuiper wordt gearresteerd en een paar maanden, op negentienjarige leeftijd, gefusilleerd.

Twee fietsen, twee mannen, een oorlog in een notendop.

maandag 29 oktober 2018

29 oktober 1942: Verzet (tegen het verzet)


Sommige namen kom je in de politierapporten bij herhaling tegen. Dat zijn bijvoorbeeld namen van draaideurcriminelen, een term die ten tijde van de oorlog weliswaar nog lang niet is geboren. Of het gaat om kinderen die meer dan eens weglopen van huis. En ook in de oorlog zijn er mensen van wie de fiets steeds opnieuw gestolen wordt. Die hun rijwiel soms wellicht ietwat gemakkelijk ´ongesloten´ wegzetten.

En er zijn de enkelingen die meer dan eens pamfletten van het verzet naar de politie brengen. Deze pamfletten worden aangeplakt, in straten verspreid, in de tram of op de pont achtergelaten (of komen soms uit de lucht vallen, zoals het blad ´De Wervelwind´, dat in 1943 letterlijk per vliegtuig wordt bezorgd). Tot een ´daar-heb-je-hém-weer-effect´ aan toe, in het geval van één persoon, bij schrijfster dezes.

Een enkele keer worden verzetsbladen simpelweg afgeleverd op adressen van mensen met een andere, zeg bruinere, politieke kleur. Op 29 oktober 1942 bijvoorbeeld brengt een inwoner van een straat in Zuid twee Oranjekranten naar het politiebureau Leidseplein. Ze zijn bij hem ´door onbekende´ in de brievenbus gestopt.

De Oranjekrant is een verzetsblad dat vanaf 1942 één tot twee keer per maand uit komt. Het motto van het blad: ´vivere militare est´. Een strijdblad dus en ´onverdraaglijke lectuur voor moffen en n.s.b.´ers.´ In de editie waar het hier vermoedelijk om gaat (de krant is niet precies gedateerd) legt de samensteller van het blad, ´alias Burgmans´, het nog eens uit: de Oranjekrant is een strijdblad ´tegen de vuige bezetter.´ In een specifiek vakje als ´sociaaldemocratisch´ of ´protestants´ mag het niet worden gestopt. Dat indelen in hokjes, zo betoogt Burgmans, is iets van voor de oorlog.

Verzetspamfletten worden overigens meestal door de politie zelf naar het bureau meegenomen. Soms wordt de tekst van die pamfletten in de rapporten geciteerd, soms niet. De ene tekst is sterker dan de andere. Of, zoveel jaren na de oorlog, sneller te begrijpen dan de andere.

Begin oktober 1942 brengen twee medewerkers van het wijkbureau in Amsterdam-Zuid een aantal ´kleine papiertjes´ naar het politiebureau. Ze hebben deze gevonden in de Amstellaan en bij het Daniël Willinkplein. De papiertjes kondigen kort en bondig alvast de vrijheid en de victorie aan waarnaar sommige straten, waaronder diezelfde Amstellaan (Vrijheidslaan) en het Daniël Willinkplein (Victorieplein), na de oorlog zouden worden vernoemd: ´Houdt moed – nog korte wijl. Hebt u al een bijl?´



donderdag 11 oktober 2018

Van namen en andere personalia


Afgelopen zomer bracht een vriendin een naambandje voor me mee. Dat had ze, straatjutter die zij is, op straat gevonden. ´Polak´, stond er op het bandje. ´Omdat je altijd zoveel met de Joden bezig bent,´ legde ze uit. ´Bedankt,´ zei ik, ´wat leuk.´

(Vermoedelijk kwam het bandje uit de jaren tachtig of negentig. Wie veel bezig is met de oorlog heeft bij het zien van zo'n bandje andere associaties dan, begreep ik een tel nadat ik het bandje kreeg, bijv. de betreffende vriendin. Mijn eigen onmiddellijke gedachte ging uit naar de rugzakken, die verplicht gelabeld naar de kampen werden meegenomen.)

Later vroeg ik haar of ze het verhaal van Willem Polak kende: een beruchte Jodenjager met een achternaam die hij ongetwijfeld wel vermoorden kon. ´Maar dan moét hij toch Joods geweest zijn?´ vroeg ze nog. ´Met die achternaam?´ Maar nee, dus.

Polak is natuurlijk wel een veel voorkomende Joodse achternaam. Dat wist ook de arts die in de zomer van 1942 in het Burgerziekenhuis in de Linnaeusstraat een Joodse vrouw had behandeld. Het behandelen van een Joodse vrouw door een niet-Joodse arts was niet verboden (Joodse artsen op hun beurt mochten geen niet-Joden behandelen) maar de betreffende vrouw had zich, met een niet-Joodse man door het ziekenhuis lopend, ´beledigend [..] uitgelaten over Duitsland.´ En dat kon natuurlijk niet. Vond althans de vrouw die de belediging in de wandelgangen had opgepikt en spoorslags de politie inschakelde.

De niet-Joodse, Duitsland beledigende man had de agent van dienst te pakken weten te krijgen. Maar de Joodse vrouw niet. De arts wist namelijk niet meer hoe ze heette. ´Polak´, dacht hij. Haar adres kende hij niet.

Dit soort verhalen zijn spoortjes van verzet die, naast al het andere, soms ook in de politierapporten terug te vinden zijn. Zoals trouwens ook zichtbaar is in het stukje dat ik op 16 september op dit blog plaatste.

Het incident in het Burgerziekenhuis speelde zich in de zomer van 1942 af, en dus niet op 11 oktober van dat jaar. Wie zoekt naar een verband tussen de datum van nu en die van toen doet dat dit keer vergeefs. Een datum is uiteindelijk maar een datum. Zoals een naam ook maar een naam is.  

woensdag 19 september 2018

19 september 1941: Verordening 138/141

Deze tekst is aan het begin van dit jaar al op dit blog geplaatst. In de eerste maanden waren de teksten op dit blog nog niet aan een specifieke dag in de kalender gekoppeld. Daarom, én omdat de maand september 1941 een maand was waarin een zeer belangrijke stap werd gezet in het proces van buitensluiting van Joden, staat het verhaal er opnieuw op.  

Op en rond het Leidseplein wemelt het van de café´s. Dat geldt voor de tegenwoordige tijd net zozeer als voor de oorlogsjaren.

Tot half september 1941 kan iedereen in de café´s terecht: Joden zowel als niet-Joden. Officieel althans: de hooggelaarsde mannen van de WA trekken dan al maandenlang met borden die Joden moeten weren langs diverse etablissementen in de stad. En ook voor de burger in doorsneekleding moeten Joden soms op hun hoede zijn.    

Op 19 september 1941 bevinden zich onder de bezoekers van één van de café´s op het Leidseplein een sergeant van de Wehrmacht en een beeldhouwer. Om 20.45 uur lopen zij het politiebureau in. Nadat de Feldwebel zijn relaas gedaan heeft, blijft de beeldhouwer achter. Wachtend op wat komen gaat.

Want wachten moet hij: hij heeft zijn persoonsbewijs niet bij zich. Wel een verblijfsvergunning waarop zijn gegevens staan, maar hij moet zich legitimeren met zijn persoonsbewijs. Dat is inmiddels de regel, zowel voor niet-Joden als voor Joden. Burgers die hun PB niet kunnen tonen, moeten mee naar het politiebureau en wachten tot het persoonsbewijs door een familielid of vriend wordt gebracht. Ook na een simpel vergrijp als fietsen zonder achterlicht.  

De beeldhouwer verklaart dat hij ´inderdaad jood´ is. Door in een café te komen, overtreedt hij verordening 138, die vanaf 15 september 1941 geldt. Bezoek aan café´s, schouwburgen, parken, bibliotheken (o.a.): het is sinds die dag voor Joden verboden. Maar de beeldhouwer zegt de verordening niet te kennen.

De politie lijkt daar niet echt een antwoord op te hebben. Wat eventueel teruggezegd is, verbaal of non-verbaal, staat in ieder geval niet genoteerd. Het is een overtreding die maar zeer incidenteel in de politieboeken voorkomt (ik ben in mijn onderzoek precies één vergelijkbaar voorbeeld tegengekomen, waarover in de betreffende maand, november, meer).  

Om 22.35 uur wordt, nadat proces-verbaal tegen hem is opgemaakt, de beeldhouwer ´niets ten zijnen laste hebbende´ heengezonden. Het PB is inmiddels naar het bureau gebracht en de antecedenten van de beeldhouwer zijn, volgens standaardprocedure, intussen gecheckt.


De beeldhouwer heeft gemazzeld. Niet zozeer omdat een avondje uit in de kroeg na een spontane ontmoeting met een Feldwebel veranderde in een avondje binnen, in een politiebureau. Maar omdat hij de vier jaren en de diverse verordeningen die na dit incident nog volgen, oftewel de oorlog, heeft overleefd.*


* Hetgeen dankzij aanvullende informatie op het Joods Monument, waarop standaard alleen degenen die in de oorlog zijn overleden met naam en toenaam staan vermeld, te achterhalen was.

zondag 16 september 2018

16 september 1941: Een gesprek met slachtoffers van een ongeluk op de Plantage Middenlaan


Soms kom je ze tegen: oproepen van de politie, waarin getuigen van een misdrijf of een verkeersongeval worden gezocht. Tegenwoordig worden bij die zoektocht vooral digitale middelen gebruikt.  In de oorlog – en nog lange tijd daarna – zette de politie de krant in.

In september 1941 zoekt de politie van het bureau Jonas Daniël Meijerplein in een krant getuigen van een ongeluk in de Plantage Middenlaan.

Dit ongeluk vindt plaats op 3 september 1941, aan het einde van de middag. Een wat ouder echtpaar wil ´ter hoogte van het St. Jacobs-Gesticht´, graag de weg oversteken en denkt dat de situatie veilig is. ´Wij kunnen oversteken,´ zegt de echtgenote dan ook tegen haar man.

Maar dan is daar die ene wielrijder, die sneller is dan gedacht – en tegen het echtpaar op botst. De man raakt door de klap bewusteloos, de vrouw breekt haar neus. Zo staat beschreven in een lang en  gedetailleerd verslag van de politie, die op 16 september in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis gesprekken met de slachtoffers voert.

Gegevens van de wielrijder zijn onbekend. Getuigen van het ongeluk zijn er niet. Reden waarom de politie in een oproep in de krant de wielrijder en eventuele getuigen ´tot het verstrekken van inlichtingen´ verzoekt. De oproep leidt niet tot resultaten.  

De verdere lotgevallen van het gewonde echtpaar zijn via het Joods Monument nog te volgen. De man heeft de oorlog overleefd. Zijn echtgenote is in april 1943 in Sobibor om het leven gekomen.  

  

dinsdag 1 mei 2018

1 mei 1942: Stervormig verzet

2018 is het Jaar van Verzet. Verzet neemt vele vormen aan. Op één, twee en drie mei is dat verzet stervormig.

Op 29 april wordt in kranten bekend gemaakt dat Joden een gele ster moeten gaan dragen. Vanaf twaalf uur ´s middags de volgende dag kunnen de sterren gekocht worden (met geld en textielpunten). Op die 30e april en op één en twee mei is de ster nog niet verplicht, maar mag deze wel al gedragen worden. Vanaf drie mei is de ster voor alle Joden verplicht. 

In de namiddag van één mei krijgt de politie de instructie om mensen die paragraaf twee van de Rijkscommissaris overtreden (als niet-Jood een ster dragen) te arresteren en aan de Sicherheitspolizei uit te leveren. “Vermoedelijk hebben zich dus al op die vrijdag [hiervan] gevallen voorgedaan,” schrijft Loe de Jong hierover in zijn Koninkrijk (dl 5, p. 1091).

En inderdaad. Rondom dat moment bevindt zich zo´n overtreder binnen de muren van politiebureau Leidseplein. “Wordt behandeld,” staat er in het politierapport van 16.35 uur. Om 19.25 uur wordt hij naar de Sicherheitspolizei gebracht.

De volgende dag is het weer raak. Ditmaal gaat het om een Amsterdamse boekhouder van 28 jaar. “[Hij] wordt hier gehouden, om zodra een auto vrij is naar de Sicherheitsdienst te worden overgebracht.” De man kan ervan uitgaan dat hij zijn 29e verjaardag, tegen het einde van de maand, in gevangenschap zal doorbrengen.

Ook wordt er een vrouw gearresteerd. Ze denkt dat ze verplicht is tot het dragen van de ster en heeft hem daarom op haar kleding bevestigd. Haar man is Joods. Maar zij is het niet. Daarom mag ook zij haar relaas bij de Sicherheitspolizei gaan doen.

Op twee en drie mei zijn er op andere locaties in Amsterdam nog enkele niet-Joodse mannen en vrouwen die met een ster op hun borst de stad ingaan en door de politie worden gearresteerd. De straf die de overtreders te wachten staat is doorgaans een verblijf van zes weken in kamp Amersfoort.

Verzet is een breed begrip. Over de inhoud ervan kunnen lange discussies gevoerd worden. En die worden ook gevoerd. Maar in die eerste dagen van mei 1942 bestond verzet uit één heel concrete daad: het opspelden van een gele ster, door niet-Joodse burgers, die daarvoor gestraft konden worden. En, werden.

maandag 23 april 2018

23 april 1940:´In Abrahams schoot´



De weersvoorspellingen voor 23 april 1940 waren goed geweest: dagblad Het Volk had de lezers op 22 april beloofd dat zij zich de volgende dag ´in Abrahams schoot´ zouden bevinden. (Zoals we in het Nederland van 2018 ook net een paar dagen in Abrahams schoot hebben doorgebracht. Zo heet dat kennelijk. Als je het aangenaam en fijn hebt.) 

Mooi weer werd het. Het was er de tijd voor: de lente viel laat, de gezinnen in de Bollenstreek beleefden een ´uiterst moeilijke tijd´. Op Zuid-Beveland gingen de pruimenbomen in bloei – de andere fruitbomen moesten nog volgen. De eerste tomaten werden aangevoerd en kostten acht cent per stuk. Dat was duur.

Er staat veel nieuws over de oorlog in de kranten: in Noorwegen woedt nog strijd met de Duitsers en Zweden zet alle zeilen bij in het streven neutraal te blijven.

Maar wat betreft zuidelijker liggend Europa is er vooral aandacht voor de overwinning van Nederland. Die op België, met als eindstand vier-twee en als getuigen prinses Juliana en prins Bernhard. ´Wilders maakte grote indruk,´ kopt Het Volk.  Dat was een verdedigende speler, die net als de tien andere spelers op 12 mei tegen Luxemburg opnieuw zou worden ingezet. Zo was althans het plan: `Nederland speelt het spel van de toekomst.´

Ook andere mensen worden in de krant geëerd. Met foto en feit: in Wamel is een echtpaar 50 jaar getrouwd, in Amsterdam haalt een echtpaar de mijlpaal van 45 jaar en is een trambestuurder 25 jaar in dienst.

In Het Volk worden lezers ertoe aangespoord om de eerste mei vooral te vieren: ´Beklemmend zijn onze zorgen, dreigend de gevaren, ernstig de tijden. [..] Eén mei is een strijddag. Weest allen op uw post!´

Maar ondertussen gaat het leven door. ´Het helpt allemaal niets, Liesje!´ verzucht een advertentie in Het nieuws van de Dag. ´Je weet diep in je hart, dat die mooie, nieuwe jurk niets uithaalt. [..] Je hebt nooit eens echt plezier, hoe aantrekkelijk je ook bent. [..] Zou het B.O. kunnen zijn?´ Tegen deze Body Odour is, hoe kan het anders, door de adverteerder een zeep bedacht.

Een behangfabrikant nodigt de lezers van Het Volk tenslotte uit om van hun huis ´voor de donkere zorgen van deze tijd een onneembare vesting [te] maken, een hecht bolwerk [..] opgebouwd uit behang.´

Een paar weken later blijkt de gehele vesting Holland ongeveer zo´n onneembaar bolwerk. In de vijf jaren daarna schijnt de zon nog vaak. Maar over vertoeven in Abrahams schoot reppen de kranten dan niet meer.

Voor dit stukje zijn de Courant Het nieuws van de Dag, kopblad van de Telegraaf, en Het Volk, ´dagblad voor de arbeiderspartij´, geraadpleegd
  








 

donderdag 12 april 2018

12 april 1932: Een dag op wijkbureau Linnaeusstraat


´Wat aardig,´ denkt de 71-jarige kantoorbediende op de ochtend van 12 april 1932 misschien wel, als hij door twee onbekenden op station Weesperpoort de trein in wordt geholpen. Of, wie weet: ´Toch een tikje bemoeizuchtig.´ Hij moet naar Utrecht, waar hij woont.

Maar voordat hij naar huis gaat,  komt hij aangifte doen op bureau Linnaeusstraat. Op dat moment verdenkt hij zijn helpers op het station van iets niet zo vriendelijks: van diefstal van zijn portefeuille. Met daarin ruim zesduizend gulden aan bankbiljetten, toebehorend aan de zaak.

Ruim zesduizend gulden. Het staat er echt. Met de hand geschreven, waardoor je als lezer je ogen gemakkelijk even niet gelooft.

Er wordt meer vermist op deze dag in 1932. Een witte roeiboot, die al een verleden als gevonden voorwerp met zich meedraagt. Een paar fietsen die blijken te zijn gestolen. Een claxon, die vanaf een motor is ontvreemd.

In een loods wordt de muntmeter, waarmee de elektriciteit wordt geregeld, leeggehaald. Een vorm van criminaliteit die zich in de oorlog nog in grote populariteit zal mogen verheugen.

Twee mannen worden opgebracht. Ze worden verdacht van ´opensluiting´.

Vanaf de Wijttenbachstraat moet een kleermaker mee naar het bureau. Hij overtreedt artikel 75 van de Algemene Politie Verordening: ´Met reclameborden rondgaan zodat de algemene orde wordt verstoord.´ De borden worden in beslag genomen.

Een man uit Aalsmeer komt aangifte doen. Hij heeft 110 gulden verloren bij een kaartspel. Het café waar dat gebeurd is kan hij helaas niet aanwijzen. Van de mensen aan wie hij zijn geld verloren heeft kan hij geen signalement opgeven. ´Onderzoek wordt voortgezet,´ rondt de agent van dienst desalniettemin zijn verslag monter af.

Een vrouw doet ´klachte van belediging´. Ze is uitgescholden door een man. Voor ´slet´.

In de woning van een tabakstripper – te lezen als ´stripper´ overigens, niet als ´tripper´  - ontstaat een brandje, dat door de brandweer met enkele emmers water wordt geblust. De tabakstripper is niet verzekerd, maar er is dan ook geen schade.

Als laatste komt een aangifte binnen van een gestolen belastingmerk, een rijwielplaatje. Tot in 1941 moet belasting betaald worden voor de fiets. In de jaren dertig zijn werklozen van betaling vrijgesteld. In ruil daarvoor krijgen ze wel een, voor iedereen zichtbaar, gaatje in hun plaatje.

Maar in dit specifieke plaatje zit geen gaatje. Wel, om verder onduidelijke redenen, een scheur.

zondag 1 april 2018

1 april 1931: Technisch hoogstandje


´Op 1 april verloor Alva zijn bril´. Oftewel Den Briel. In de rubriek ´Alsof het gisteren gebeurde´ kijkt De Telegraaf van 1 april 1931 op deze gebeurtenis in de vaderlandse geschiedenis terug. Maar voor het overige lijkt 1 april 1931 in de kranten geen al te speciale dag te zijn.  

Het grootste nieuws van de dag betreft een aardbeving in Managua, op 31 maart. Daar zijn meer dan 1100 dodelijke slachtoffers bij gevallen. En dat is echt gebeurd.

Op de voorpagina van het Algemeen Handelsblad is een kolom ingeruimd voor het laatste nieuws, dat wordt ontvangen na het ter perse gaan van het nummer. Die kolom is leeg. Maar een grap is dat niet. Die kolom staat vaker leeg. Een apart gezicht  is dat trouwens wel. Een voorpagina met daarop een witte kolom.

Vanaf 3 april kunnen bioscoopbezoekers in het Amsterdamse Rembrandt-Theater, dat zich op het Rembrandtsplein bevindt, naar een film over het leven van studenten in Heidelberg. De advertentie belooft: ´Een film vol jolijt´. Een andere advertentie raadt de lezers aan de Paasdagen in Düsseldorf door te brengen. Want dat is toch ´het nabije Parijs´. 

Ook dat zijn geen grappen.

Op pagina twee van de ochtendeditie van het Algemeen Handelsblad, de scan heeft wat vouwen in het papier naar 2018 meegenomen, staat een bericht met een opmerkelijke kop: ´Gemeentelijke hoogtezon.´ ´Binnenkort´, kondigt het verslag aan, ´zullen B. en W. de Raad voorstellen doen onze grote pleinen van sterke hoogtezonapparaten te voorzien.´ Op de Beurstoren, Westertoren en de Paleistoren worden lampen geplaatst, met daarin één tot twee miljoen kaarsen. ´Deze zullen automatisch in werking treden zodra de zon overdag te kort schiet. [..] de pleinen [zullen dan] alleen toegankelijk zijn voor doelmatig gekostumeerde personen.´

Op 1 april 1932 worden de apparaten in werking gesteld – tenminste, dat heeft het Algemeen Handelsblad ´uit welverlichte bron´ vernomen.



dinsdag 27 maart 2018

27 maart 1943: De aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister


Zo meteen is het zover. Om kwart over negen is het precies 75 jaar geleden dat de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister begon.

´Zo meteen is het zover´: de aanslagplegers zullen dit vóór 27 maart al hebben gedacht. Twee keer eerder waren ze namelijk al op pad gegaan. Én onverrichterzake huiswaarts gekeerd: op 12 maart scheen de maan te sterk en bleken er ophaalacties in de nabijgelegen Joodse wijk gaande, op 22 maart bevonden zich onverhoeds werksters in het gebouw.

Van vier wijkbureaus zijn de politiedagrapporten vrijwel in hun geheel behouden gebleven. Het Amsterdamse Bevolkingsregister viel niet onder het ressort van één van die bureaus. Sporen zijn (in deze specifieke bron) alleen te vinden van enkele individuele aanslagplegers.

Eén van hen was de Joodse verzetsstrijder Rudi Bloemgarten. Net als Sape Kuiper, over wie ik eerder op dit blog schreef, was hij een jonge man (Bloemgarten was 22), die, opnieuw evenals Kuiper, vlak voor de aanslag waarvoor hij werd gearresteerd een verzetsdaad pleegde die niet uitpakte zoals hij had bedoeld.

Het ging hier om een aanslag op een vooraanstaand NSB´er: de procureur-generaal van het Amsterdamse Gerechtshof. Bloemgarten stond op 2 februari 1943 bij hem voor de deur. Hij trof niet de PG zelf, maar zijn 32-jarige zoon (vrijwilliger bij de Waffen-SS, aldus De Jong in zijn ´Koninkrijk´) aan. Twee schoten loste hij. De man raakte ernstig, hoewel niet levensgevaarlijk, gewond. Vervolgens vluchtte de dader, aldus de politie: ´een tot nu toe onbekend gebleven persoon´.

Met rood potlood staat er ´moordaanslag´ in de kantlijn van het politierapport geschreven. Het gepleegde feit is ´niet bestemd voor de pers´. Die woorden zijn met rood onderstreept.

Ruim zeven weken later vond de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister plaats. De zaak werd verraden: in totaal 21 mensen werden berecht, twaalf van hen ter dood veroordeeld.  Onder hen Rudi Bloemgarten, die in een uit de gevangenis gesmokkeld briefje schreef:  ´Je hebt geen idee hoe wij [de twaalf ter dood veroordeelden] in alles één zijn en vol vertrouwen ons vonnis tegemoet gaan. Wij hebben gedaan wat wij doen moesten en zijn volkomen verzoend met de dood.´* 



*Loe de Jong: Het Koninkrijk, deel 6, tweede helft, blz. 701. Voor een online beschrijving van de aanslag op het Bevolkingsregister, waarin de belangrijke rollen van Gerrit van der Veen en Willem Arondeus tot hun recht komen, verwijs ik naar deze pagina van het Verzetsmuseum

dinsdag 20 maart 2018

31 augustus 1940: Een ondergeschoven koetje in Amsterdam-Noord


Amsterdam-Noord ligt er in de jaren veertig wat geïsoleerd bij. Het stadsdeel is alleen via ponten met de rest van de stad verbonden. Bruggen, tunnels: ze worden pas in de jaren vijftig en zestig aangelegd.  

In vergelijking met de rapporten van het bureau Leidseplein vormen de rapporten van het bureau Mosplein een oase van rust. In ieder geval als je naar de aantallen mutaties kijkt (zo bezien gebeurt er in het centrum van de stad per dag doorgaans minstens drie keer zoveel).

De rapporten van bureau Mosplein zijn allemaal bewaard gebleven. Die van het Leidseplein bijna allemaal: de periode mei – half september 1940 ontbreekt. Wat er op 31 augustus 1940, de eerste Koninginnedag in oorlogstijd, in het centrum gebeurde is er dus niet in na te zoeken. In Zuid, waar doorgaans minder loos was dan in het centrum, werden in elk geval diverse ´etiketten, vermeldende anti-Duitse leuzen´ aangeplakt.

In Noord vallen er die dag enkele bommen. Uit een ´onbekend gebleven´, dan wel ´vreemd´ vliegtuig, aldus het politierapport. Van een rij huizen aan de Durgerdammerdijk sneuvelen de ruiten. Voorgevels raken beschadigd en in één huis dringen scherven binnen. In een weiland is een flinke krater geslagen.

Het gebeurt vroeg in de ochtend. In de kranten van die dag staat dat er vier bommen door een Engels vliegtuig zijn afgeworpen. Twee daarvan zijn in het water terechtgekomen. ´Wanneer ooit het feit, dat geen personen gedood noch gewond werden een wonder genoemd mag worden, was het in dit geval,´ zo staat letterlijk te lezen Het Volk. En in het Algemeen Handelsblad. Het Leidsch Dagblad. Het Twentsch Dagblad. De Standaard. Het Rotterdamsch Nieuwsblad. Het Nieuwsblad van het Zuiden. En in nog veertien andere kranten. Alleen het Leeuwarder Nieuwsblad maakt de zin korter - en De Nieuwe Provinciale Groninger Courant houdt hem, als enige krant, in het geheel voor gezien.

Slechts één vrouw loopt, zo staat in zowel de kranten als het politierapport te lezen, een lichte verwonding in haar gezicht op. In het getroffen weiland breekt een koe haar poot. Maar dat nieuws haalt de kranten niet.  

vrijdag 9 maart 2018

10 augustus 1940: Luctor et Emergo


In kranten uit de oorlogstijd is door de strikte censuur weinig ´echt´ nieuws te vinden. Er staat veel nepnieuws in. 

De archieven van de politie bieden veel meer informatie over wat er van dag tot dag daadwerkelijk in Nederland gebeurde. Maar in de kranten zelf kunnen kleine berichtjes of advertenties soms ook het een en ander onthullen. Of vertellen puzzels iets over de gemoedsstand van het land.

Zo staat er op 10 augustus 1940 een grote puzzel in het Algemeen Handelsblad. ´Luctor et Emergo´ heet deze. Hij is ´gewijd aan de opbouw´, zo staat er in de introductie te lezen. De lezers wordt aangeraden een aantal woorden uit de oplossing van de puzzel ´ter harte´ te nemen en te ´vertrouw[en]´ op een zinspreuk uit de puzzel. En  ´[men] vermijde vooral´ 106 verticaal.

De winnaar van de puzzel krijgt tien gulden. De tien troostprijzen bestaan uit boeken. Oplossingen kunnen worden ingezonden tot en met dinsdag 20 augustus ´des avonds twaalf uur´.

Twee weken later blijkt dat de ´ ´opbouw´- puzzel, getuige het grote aantal inzendingen, zeer in de smaak gevallen is.´ Levensmoed, levensdurf, moedig zijn, arbeidslust en het nooit wanhopen  blijken de zaken te zijn die de lezers ter harte moeten nemen. Het vertrouwen draait om de spreuk ´per aspera ad astra´ (door de moeilijkheden naar de sterren). En sabotage is wat men vermijde. Oftewel ´moedwillige vernieling en beschadiging´, zoals de bijpassende opgave luidt.

Twee andere omschrijvingen springen er ook uit, 112 verticaal: ´koning der Joden, 950 v. Chr.´ en het vraagstuk dat hoort bij de oplossing van 201 horizontaal, ´SS´: ´heilige schrift (afk.) (Lat.)´.

Schouders eronder. Blik omhoog. Niet wanhopen of moedwillig kapotmaken. Maar worstelen. En bovenkomen. Dat was het parool van het Algemeen Handelsblad, in de puzzelrubriek van augustus 1940.