1 april 1931: Technisch hoogstandje
´Op 1 april verloor Alva zijn bril´. Oftewel Den Briel. In de rubriek ´Alsof het gisteren gebeurde´ kijkt De Telegraaf van 1 april 1931 op deze gebeurtenis in de vaderlandse geschiedenis terug. Maar voor het overige lijkt 1 april 1931 in de kranten geen al te speciale dag te zijn.
Het grootste nieuws van de dag betreft een aardbeving in Managua, op 31 maart. Daar zijn meer dan 1100 dodelijke slachtoffers bij gevallen. En dat is echt gebeurd.
Op de voorpagina van het Algemeen Handelsblad is een kolom ingeruimd voor het laatste nieuws, dat wordt ontvangen na het ter perse gaan van het nummer. Die kolom is leeg. Maar een grap is dat niet. Die kolom staat vaker leeg. Een apart gezicht is dat trouwens wel. Een voorpagina met daarop een witte kolom.
Vanaf 3 april kunnen bioscoopbezoekers in het Amsterdamse Rembrandt-Theater, dat zich op het Rembrandtsplein bevindt, naar een film over het leven van studenten in Heidelberg. De advertentie belooft: ´Een film vol jolijt´. Een andere advertentie raadt de lezers aan de Paasdagen in Düsseldorf door te brengen. Want dat is toch ´het nabije Parijs´.
Ook dat zijn geen grappen.
Op pagina twee van de ochtendeditie van het Algemeen Handelsblad, de scan heeft wat vouwen in het papier naar 2018 meegenomen, staat een bericht met een opmerkelijke kop: ´Gemeentelijke hoogtezon.´ ´Binnenkort´, kondigt het verslag aan, ´zullen B. en W. de Raad voorstellen doen onze grote pleinen van sterke hoogtezonapparaten te voorzien.´ Op de Beurstoren, Westertoren en de Paleistoren worden lampen geplaatst, met daarin één tot twee miljoen kaarsen. ´Deze zullen automatisch in werking treden zodra de zon overdag te kort schiet. [..] de pleinen [zullen dan] alleen toegankelijk zijn voor doelmatig gekostumeerde personen.´
Op 1 april 1932 worden de apparaten in werking gesteld – tenminste, dat heeft het Algemeen Handelsblad ´uit welverlichte bron´ vernomen.
Voor wie me niet gelooft: het artikeltje staat in de meest rechtse kolom, op de helft van de pagina
12 april 1932: Een dag op wijkbureau Linnaeusstraat
´Wat aardig,´ denkt de 71-jarige kantoorbediende op de ochtend van 12 april 1932 misschien wel, als hij door twee onbekenden op station Weesperpoort de trein in wordt geholpen. Of, wie weet: ´Toch een tikje bemoeizuchtig.´ Hij moet naar Utrecht, waar hij woont.
Maar voordat hij naar huis gaat, komt hij aangifte doen op bureau Linnaeusstraat. Op dat moment verdenkt hij zijn helpers op het station van iets niet zo vriendelijks: van diefstal van zijn portefeuille. Met daarin ruim zesduizend gulden aan bankbiljetten, toebehorend aan de zaak.
Ruim zesduizend gulden. Het staat er echt. Met de hand geschreven, waardoor je als lezer je ogen gemakkelijk even niet gelooft.
Er wordt meer vermist op deze dag in 1932. Een witte roeiboot, die al een verleden als gevonden voorwerp met zich meedraagt. Een paar fietsen die blijken te zijn gestolen. Een claxon, die vanaf een motor is ontvreemd.
In een loods wordt de muntmeter, waarmee de elektriciteit wordt geregeld, leeggehaald. Een vorm van criminaliteit die zich in de oorlog nog in grote populariteit zal mogen verheugen.
Twee mannen worden opgebracht. Ze worden verdacht van ´opensluiting´.
Vanaf de Wijttenbachstraat moet een kleermaker mee naar het bureau. Hij overtreedt artikel 75 van de Algemene Politie Verordening: ´Met reclameborden rondgaan zodat de algemene orde wordt verstoord.´ De borden worden in beslag genomen.
Een man uit Aalsmeer komt aangifte doen. Hij heeft 110 gulden verloren bij een kaartspel. Het café waar dat gebeurd is kan hij helaas niet aanwijzen. Van de mensen aan wie hij zijn geld verloren heeft kan hij geen signalement opgeven. ´Onderzoek wordt voortgezet,´ rondt de agent van dienst desalniettemin zijn verslag monter af.
Een vrouw doet ´klachte van belediging´. Ze is uitgescholden door een man. Voor ´slet´.
In de woning van een tabakstripper – te lezen als ´stripper´ overigens, niet als ´tripper´ - ontstaat een brandje, dat door de brandweer met enkele emmers water wordt geblust. De tabakstripper is niet verzekerd, maar er is dan ook geen schade.
Als laatste komt een aangifte binnen van een gestolen belastingmerk, een rijwielplaatje. Tot in 1941 moet belasting betaald worden voor de fiets. In de jaren dertig zijn werklozen van betaling vrijgesteld. In ruil daarvoor krijgen ze wel een, voor iedereen zichtbaar, gaatje in hun plaatje.
Maar in dit specifieke plaatje zit geen gaatje. Wel, om verder onduidelijke redenen, een scheur.