1941

31 januari 1941: Oranje klanken


Morgen is het precies zevenenzeventig jaar geleden dat prinses Beatrix drie jaar werd. Ze woonde toen ver weg, in Canada. Toch hadden de agenten van het bureau Leidseplein in Amsterdam het erg druk op haar verjaardag.

Het begint ´s ochtends om kwart over negen al. Op het bureau wordt door een paar agenten een aantal oranje vlaggetjes gedeponeerd. Ze zijn van papier, 20 bij 15 cm groot en door onbekenden in de ´z.g. Leidscheboschjes [..] neergeplant.´

Aan het begin van de middag  is het weer raak: in hetzelfde Leidse Bosje is, opnieuw door onbekenden, een bosje tulpen neergelegd, ´tengevolge waarvan aldaar een volksoploop ontstond.´  Ze liggen niet onder het Beatrixboompje, want dat is begin oktober 1940 door een onbekende dader ´even boven de grond [..] afgerukt.´  

Een paar uur later brengt een Amsterdammer, werkzaam op een kantoor van de Wehrmacht, een stadsgenoot naar het bureau. Reden: deze loopt, volgens de aanbrenger, in de Leidsestraat vaderlandse liederen te fluiten. Hij blijft in bewaring want de Sicherheitspolizei wil hem – de volgende dag - erg graag spreken.

´s Avonds wordt de politie gebeld: op het ijs bij het Apollopaviljoen, in het zuiden van de stad, zouden er tot ergernis van aldaar aanwezige Duitse militairen Oranjeliedjes gezongen worden. Ook wordt gerept van vechtpartijtjes met ´ver[moedelijk]´ nationaalsocialisten. De Sicherheitspolizei laat ook van zich horen en meent dat er een vaderlandse liedjes spelende harmonicaspeler op het ijs rond rijdt. De agenten zelf zien, eenmaal ter plekke, alleen dat het heel druk is en dat schaatsenrijders met elkaar samenscholen. Op last van een officier van de Wehrmacht ontruimen de agenten het ijs. Eén van hen deelt enkele klappen met zijn gummistok uit. De twee anderen dreigen ermee.


Precies een jaar later is het, hoe kan het ook anders, opnieuw 31 januari. Maar in 1942 wijst alleen de met de hand geschreven datum in het rapport van politiebureau Leidseplein op de dag. Nederland is inmiddels een Februaristaking en veel repressie verder. Pas als  prinses Beatrix acht wordt zal (heel) Nederland op haar verjaardag weer openlijk blij zijn. 





.

9 februari 1941: Een tactische politieman



In het eerste oorlogsjaar hebben de agenten van het wijkbureau Leidseplein het niet alleen druk met Nederlanders die hun lichten onverhoeds laten branden, deuren open laten staan, fietsen als gestolen opgeven of juist op niet gestolen fietsen verkeersregels negeren, aanrijdingen meemaken, daar getuige van zijn. Nee.



Ze hebben het ook druk met Duitse militairen. Vooral als deze ´onder den invloed van alcohol´ zijn, wil het in de stad wel eens extra ongezellig worden. Er worden klappen uitgedeeld, spullen gestolen, schoten gelost, rechtstreeks in het niks. Die spullen worden soms ´geleend´ of zomaar even gepakt: een fiets, een tas, een gouden bril zelfs, direct van de neus. En dan zijn er ook nog de militairen die hun vrije tijd graag met Nederlandse vrouwen doorbrengen. Die vrouwen (of: hun ouders) delen dit enthousiasme dan niet altijd.   


Een enkele keer lopen ontmoetingen tussen agenten en Duitse militairen gemoedelijk af. Zoals in deze rapportage, van negen februari 1941: een beschonken, in burger geklede Duitse man, met een band van de Wehrmacht om zijn arm, wil heel graag het gebouw van de Rijkspostspaarbank in. Hij blijft het proberen. Geeft de moed simpelweg niet op. Maar ja. Het is drie uur in de ochtend. 


Goede raad is duur. De portier van de bank belt de politie. Die gaat er, twee man sterk, op af.

Maar met de politie heeft de Duitser helemaal niets te maken, geeft hij te kennen. Hij wil gewoon die bank binnen. Nog eens belt hij aan. En wacht. Tot er eindelijk een keer wordt opengedaan!

Eén van de twee agenten belt daarop de Feldgendarmerie: een gangbare handeling in situaties waarin Duitse militairen met de Nederlandse politie in aanraking komen. 


Maar nog voordat de Feldgendarmerie ter plaatse is, lukt het de andere agent al om ´bedoelde persoon op tactische wijze naar zijn diens woning´ te begeleiden. Als een sociaal werker pur sang. 





16 september 1941: Een gesprek met slachtoffers van een verkeersongeluk op de Plantage Middenlaan 

Soms kom je ze tegen: oproepen van de politie, waarin getuigen van een misdrijf of een verkeersongeval worden gezocht. Tegenwoordig worden bij die zoektocht vooral digitale middelen gebruikt.  In de oorlog – en nog lange tijd daarna – zette de politie de krant in.

In september 1941 zoekt de politie van het bureau Jonas Daniël Meijerplein in een krant getuigen van een ongeluk in de Plantage Middenlaan.

Dit ongeluk vindt plaats op 3 september 1941, aan het einde van de middag. Een wat ouder echtpaar wil ´ter hoogte van het St. Jacobs-Gesticht´, graag de weg oversteken en denkt dat de situatie veilig is. ´Wij kunnen oversteken,´ zegt de echtgenote dan ook tegen haar man.

Maar dan is daar die ene wielrijder, die sneller is dan gedacht – en tegen het echtpaar op botst. De man raakt door de klap bewusteloos, de vrouw breekt haar neus. Zo staat beschreven in een lang en  gedetailleerd verslag van de politie, die op 16 september in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis gesprekken met de slachtoffers voert.

Gegevens van de wielrijder zijn onbekend. Getuigen van het ongeluk zijn er niet. Reden waarom de politie in een oproep in de krant de wielrijder en eventuele getuigen ´tot het verstrekken van inlichtingen´ verzoekt. De oproep leidt niet tot resultaten.  


De verdere lotgevallen van het gewonde echtpaar zijn via het Joods Monument nog te volgen. De man heeft de oorlog overleefd. Zijn echtgenote is in april 1943 in Sobibor om het leven gekomen




19 september 1941: Verordening 138/141




Op en rond het Leidseplein wemelt het van de café´s. Dat geldt voor de tegenwoordige tijd net zozeer als voor de oorlogsjaren.

Tot half september 1941 kan iedereen in de café´s terecht: Joden zowel als niet-Joden. Officieel althans: de hooggelaarsde mannen van de WA trekken dan al maandenlang met borden die Joden moeten weren langs diverse etablissementen in de stad. En ook voor de burger in doorsneekleding moeten Joden soms op hun hoede zijn.    

Op 19 september 1941 bevinden zich onder de bezoekers van één van de café´s op het Leidseplein een sergeant van de Wehrmacht en een beeldhouwer. Om 20.45 uur lopen zij het politiebureau in. Nadat de Feldwebel zijn relaas gedaan heeft, blijft de beeldhouwer achter. Wachtend op wat komen gaat.

Want wachten moet hij: hij heeft zijn persoonsbewijs niet bij zich. Wel een verblijfsvergunning waarop zijn gegevens staan, maar hij moet zich legitimeren met zijn persoonsbewijs. Dat is inmiddels de regel, zowel voor niet-Joden als voor Joden. Burgers die hun PB niet kunnen tonen, moeten mee naar het politiebureau en wachten tot het persoonsbewijs door een familielid of vriend wordt gebracht. Ook na een simpel vergrijp als fietsen zonder achterlicht.  

De beeldhouwer verklaart dat hij ´inderdaad jood´ is. Door in een café te komen, overtreedt hij verordening 138, die vanaf 15 september 1941 geldt. Bezoek aan café´s, schouwburgen, parken, bibliotheken (o.a.): het is sinds die dag voor Joden verboden. Maar de beeldhouwer zegt de verordening niet te kennen.

De politie lijkt daar niet echt een antwoord op te hebben. Wat eventueel teruggezegd is, verbaal of non-verbaal, staat in ieder geval niet genoteerd. Het is een overtreding die maar zeer incidenteel in de politieboeken voorkomt (ik ben in mijn onderzoek precies één vergelijkbaar voorbeeld tegengekomen, waarover in de betreffende maand, november, meer).  

Om 22.35 uur wordt, nadat proces-verbaal tegen hem is opgemaakt, de beeldhouwer ´niets ten zijnen laste hebbende´ heengezonden. Het PB is inmiddels naar het bureau gebracht en de antecedenten van de beeldhouwer zijn, volgens standaardprocedure, intussen gecheckt.


De beeldhouwer heeft gemazzeld. Niet zozeer omdat een avondje uit in de kroeg na een spontane ontmoeting met een Feldwebel veranderde in een avondje binnen, in een politiebureau. Maar omdat hij de vier jaren en de diverse verordeningen die na dit incident nog volgen, oftewel de oorlog, heeft overleefd.*



* Hetgeen dankzij aanvullende informatie op het Joods Monument, waarop standaard alleen degenen die in de oorlog zijn overleden met naam en toenaam staan vermeld, te achterhalen was.



20 december 1941: De fiets van Sape Kuiper



Op 20 december 1941 begeeft zich een zeventienjarige student naar het politiebureau Leidseplein: zijn fiets is gestolen. De agent van politie noteert zijn naam als ´Sapekuiper´. Waardoor de aangifte er voor mij, er worden in de oorlog duizenden aangiftes van gestolen fietsen gedaan, toevallig uit springt. (Al die aangiftes, die meestal drie tot vier regels per stuk in beslag nemen, spellen: je kúnt het doen. Technisch gesproken.)

Op 22 juli 1943 verschijnt de naam van Sape Kuiper nogmaals in het meldingsrapport van het Bureau Leidseplein: zijn fiets is in de kelder gezet. Met pen is de opmerking aan het getypte verslag, waarin een heel wat grotere gebeurtenis centraal staat, toegevoegd. 

Sape Kuiper zelf is dan al met de auto naar de Euterpestraat gebracht. Hij woont in die straat. Maar hij wordt niet naar huis gereden: het gebouw van de Sicherheitsdienst is het doel van de rit. Hij reist samen met degene met wie hij die middag een tandarts om het leven gebracht heeft. Een tandarts voor wie in een ondergronds blad in het voorjaar van 1942 al gewaarschuwd wordt. In juli 1943 komt Kuiper erachter dat de, half-Joodse, man Joodse patiënten aan de Sicherheitspolizei verraadt. Een week eerder heeft hij dan al (op een speciaal voor de gelegenheid geleende fiets) tevergeefs geprobeerd een aanslag op het leven van politieman en Jodenjager ´Pietje Poppesnor´ te plegen.

Nadat hij zijn schoten heeft gelost zoekt Kuiper een manier om te vluchten. `Hij had geen fiets. Het dienstmeisje hoorde het schot en gilde. (..) Daarom pikte hij de eerste de beste fiets.´ Er werd ´Houdt de dief!´ geroepen. Een glazenwasser ´gooide zijn ladder dwars over de weg.´ Aldus Hermans in het Boekenweekgeschenk van 1993. De politierapporten onthullen over dit stuk van het verhaal niets.*

Nadat zijn fiets in de kelder van het bureau is gedeponeerd, komt Sape Kuiper niet meer in de politierapporten voor. Wel verschijnt zijn naam nog in veel kranten: op 30 september wordt hij door het Polizeistandgericht tot de dood veroordeeld. Een dag later wordt hij, negentien jaar oud, gefusilleerd. Net als, aldus een kop in de Utrechtse Courant van 4 oktober, achttien andere ´saboteurs en terroristen´.



* De lezing van Hermans is ´plausibel´ volgens historicus Wiebe de Graaf, wiens overgrootvader de vader van Sape Kuiper was, in: ´Ik ben zelf aansprakelijk voor mijn dood; Taco Kuiper 1894 – 1945´