Ik keer voor deze tekst terug naar mijn onderzoek in de archieven
van de Amsterdamse wijkpolitie, tijdens de oorlog.
Aan het begin van de oorlog waren Joden geen Joden. Ze waren
bijvoorbeeld “emigranten”, als ze uit Duitsland of andere landen kwamen. Of Israëlieten,
meestal afgekort tot “Isr.” In de politierapporten van Amsterdam kwam ik, in de
allereerste maanden van de oorlog, zelfs een keer een Joodse inwoner tegen die
door de politie een Duitser werd genoemd. Door het oog van de bezetter zou dit (maar
die zal het niet gezien hebben) als een gotspe zijn geïnterpreteerd. Joden
waren in Duitsland immers al heel lang geen Duitsers meer.
Meestal werden Joden overigens door de politie helemaal niet
met hun afkomst aangeduid. Ze verloren net als andere Amsterdammers hun fietsen
en kwamen dat melden. Of vielen in een gracht, liepen in het pikkedonker tegen
een “onverlichte” handwagen aan, kwamen in botsing met een tram, of begingen bijvoorbeeld
een verkeersovertreding. Dat ze Joods waren haalde ik dan zelf uit uit de
verslagen, door de namen door de database van het Digitaal Joods Monument te halen (en ik moet duizenden
en duizenden namen door die database hebben gehaald, ook heel erg veel
verkeerde, die niet Joods bleken).
Maar naarmate de oorlog vorderde verdween de afkorting “Isr.”.
Politierapporteurs maakten, in de overgangstijd van het begin van de oorlog
naar de tijd van de invoering van de ster en de start van de deportaties, nog
wel een enkele keer melding van een burger met een ‘gestempeld’ persoonsbewijs.
Een persoonsbewijs met een “J” erin dus. Een wat omfloerste manier om aan te
duiden dat iemand Joods was: dit had ook met andere termen gekund.
Maar: er kropen naarmate de tijd vorderde, substantieel andere
aanduidingen in de terminologie. Zo beschrijft een politierapport eind 1942 hoe
een vrouw “van joodsen bloede” zich in een café bevond waar zij volgens de
geldende bepalingen helemaal niet mocht zijn.
Huizen van Joden die waren gedeporteerd, moesten worden bewaakt.
Inbraak was aan de orde van de dag, de politie had er de handen aan vol. Kostbaarheden
werden gezocht en later in de oorlog was ook het hout gewild. Over de inbraken
werden veel verslagen geschreven. De Joden zelf waren er dan niet meer, maar
hun huizen stonden er nog wel. Dus bleven ze in de politierapporten voorkomen. En
waar een familie in 1940 of in het begin van 1941 nog “Isr.” was, kon deze nu
met “joden familie” of, met weglating van de spatie, “jodenfamilie” worden
genoemd.
Er was nog een manier waarop Joden in de, grofweg, tweede
helft van de oorlog in de rapporten
verschenen: degenen die op onderduiken waren betrapt, moesten dikwijls van een
wijkbureau naar de S.D. worden gebracht, waarvan dan in heel korte, zakelijke
zinnetjes door de politie verslag van werd gedaan.
Taal is een machtig middel. Zo kun je er afstand mee
scheppen en er afstand mee bewaren.