donderdag 24 september 2026

Verschuivende taal

 

 Taal is een machtig middel. Zo kun je er afstand mee scheppen en er afstand mee bewaren.

Ik keer voor deze tekst terug naar mijn onderzoek in de archieven van de Amsterdamse wijkpolitie, tijdens de oorlog.

Aan het begin van de oorlog waren Joden geen Joden. Ze waren bijvoorbeeld “emigranten”, als ze uit Duitsland of andere landen kwamen. Of Israëlieten, meestal afgekort tot “Isr.” In de politierapporten van Amsterdam kwam ik, in de allereerste maanden van de oorlog, zelfs een keer een Joodse inwoner tegen die door de politie een Duitser werd genoemd. Door het oog van de bezetter zou dit (maar die zal het niet gezien hebben) als een gotspe zijn geïnterpreteerd. Joden waren in Duitsland immers al heel lang geen Duitsers meer.

Meestal werden Joden overigens door de politie helemaal niet met hun afkomst aangeduid. Ze verloren net als andere Amsterdammers hun fietsen en kwamen dat melden. Of vielen in een gracht, liepen in het pikkedonker tegen een “onverlichte” handwagen aan, kwamen in botsing met een tram, of begingen bijvoorbeeld een verkeersovertreding. Dat ze Joods waren haalde ik dan zelf uit uit de verslagen, door de namen door de database van het Digitaal Joods Monument te halen (en ik moet duizenden en duizenden namen door die database hebben gehaald, ook heel erg veel verkeerde, die niet Joods bleken).

Maar naarmate de oorlog vorderde verdween de afkorting “Isr.”. Politierapporteurs maakten, in de overgangstijd van het begin van de oorlog naar de tijd van de invoering van de ster en de start van de deportaties, nog wel een enkele keer melding van een burger met een ‘gestempeld’ persoonsbewijs. Een persoonsbewijs met een “J” erin dus. Een wat omfloerste manier om aan te duiden dat iemand Joods was: dit had ook met andere termen gekund.

Maar: er kropen naarmate de tijd vorderde, substantieel andere aanduidingen in de terminologie. Zo beschrijft een politierapport eind 1942 hoe een vrouw “van joodsen bloede” zich in een café bevond waar zij volgens de geldende bepalingen helemaal niet mocht zijn.

Huizen van Joden die waren gedeporteerd, moesten worden bewaakt. Inbraak was aan de orde van de dag, de politie had er de handen aan vol. Kostbaarheden werden gezocht en later in de oorlog was ook het hout gewild. Over de inbraken werden veel verslagen geschreven. De Joden zelf waren er dan niet meer, maar hun huizen stonden er nog wel. Dus bleven ze in de politierapporten voorkomen. En waar een familie in 1940 of in het begin van 1941 nog “Isr.” was, kon deze nu met “joden familie” of, met weglating van de spatie, “jodenfamilie” worden genoemd. 

Er was nog een manier waarop Joden in de, grofweg, tweede helft van de oorlog in de rapporten verschenen: degenen die op onderduiken waren betrapt, moesten dikwijls van een wijkbureau naar de S.D. worden gebracht, waarvan dan in heel korte, zakelijke zinnetjes door de politie verslag van werd gedaan.

Taal is een machtig middel. Zo kun je er afstand mee scheppen en er afstand mee bewaren.